Lief Hart

Jij, grote, jij sterke.
Leeuw met zachte manen,
Ontblootte parelwitte tanden.
Jij, kleine. De vuurvlieg in het Franse gras.
Ja, jij, je wordt de vogel met de witte buik
Als ik er naar kijk,
Vliegend in de celeste hemel zonder wind.

Op mijn tong heb je nooit gelegen,
mijn mooie, lieve hart;
op mijn kleinste teen vooral.
Maar als een stuwdam die zich vult 
stroom ik met jouw liefde vol,
Tot ik niet anders kan dan tonen wat ik voel,
Als een naakte feeks op dun glad ijs.

Imperfect als de zwarte vlek op het papier,
Mij duwend door de schaamte heen,
Verder weg van wat zo hoort
Verder weg van wat ik weet.

Lief hart, teder is mijn omhulling 
met mijn handen om jouw heen.
Je bracht me zo veel schatten,
Zo veel tranen. Zo veel stenen liet jij smelten. 
Je bracht mij door de waterval naar de overkant,
Door de oceaan naar eilanden van stilte.
Je bracht mij naar gesloten harten,
Pompte bloed waar het niet stromen mocht, 
Liet menig ander hart daarna weer open achter.

Elke keer verzon je liefdes die te ver zijn
of te hard voor mij, 
En stond ik rouwend open als de zwarte grot,
Met spelonken, stalagmieten, dikke druppels in het diepe meer. 
Hete lava uit de bodem van de aarde
Vanuit de plek die ik ontkende 
En bedekte met een lach.

Ik kreeg niet wat ik wilde maar nog meer dan ik bedacht.
Vrienden voor het leven en een ruggengraat van goud. 
Wortels tot de grote Moeders’ kern.
Een wijder pad met bergkristal en sterren.

Ik houd je zachtjes vast en dank je
Met mijn zegen en mijn adem.
Dank de bedding die mij opvangt 
als het leven mij verwart, 
Dank de zoetheid die zich toont 
Als ik het zelf niet meer geregeld heb.
Dank de zon die gouden stralen straalt 
En de regen die rivieren maakt.

Ik zie de liefde die jouw je slag laat slaan,
De lichtstraal, zichtbaar in de kieren van een harde rots.

Ik wil je vragen soms, of het wat zachter mag, 
Of dichterbij, 
Of eindelijk het juiste puzzelstuk,

Maar wetend dat jij weet waar jij mij hebben wilt, 
Zwijg ik, luister in vertrouwen,
Reizend met jou mee, 
Door berg en dal, 
Door oceaan en waterval.

Herinnering

De zon laat stukjes goud verschijnen op het zoute winterwater.
Stralen die de lucht doorboren;
de wolkenmassa wijkt, zoals oud wijkt voor het nieuwe.
Een wandelende man in zwart gekleed, 
de stilte zichtbaar rondom zijn contour.
Alleen in eenheid en niet eenzaam. 
Als landwolken, rollen bollen schuim het strand op,
voortgeduwd door lichte wind. 
Een ballon met sterren die gisteren nog hoorde bij een feest,
ligt verdwaald aan de rand.
Het rubber als een dunne oma huid, 
dat de laatste lucht omhult
tot zij weer deelneemt aan het grotere geheel.

Stiller dan stil is de ruimte in mijn hoofd. 
Stiller dan stil is de duinrand, 
door ochtendlicht versierd. 
De golven glimmen als mijn ogen, 
rollen om. 
Het beeld print zich in mijn mijn netvlies,
net zo welkom als zoete honing
of een warme streling op mijn huid.

Het koude water raakt mijn benen
en steeds verder. 
Langzaam lopend zonder wantrouw of gevecht, 
de watermassa binnen. 
Ik dank en denk aan namen die bij mij waren dit jaar. 
Stuk voor stuk, mens voor mens, 
Hart voor hart, ziel voor ziel. 
Elke naam een echo in mijn lijf, 
elke ziel weer anders afgedrukt in mij. 
In dit lichaam dat ik liever heb dan ooit, 
wetend nu waar ik vandaan kom en waar ik naartoe kan, keer op keer. 
Ingebed en veilig in de grote aarde, in de zuster zee, 
in de wind, in de sterren in de lucht.

De talen van mijn ziel hebben nooit logica gekend, 
ontspruiten als kiemen uit de grond, 
als vlammen uit het vuur. 
Moge ik samen zijn met zielen die mijn taal verstaan, 
moge ik paden lopen die mij nieuwe beelden geven. 
Moge ik woorden spreken, die weerklinken in een ander 
op de plek waar leven leeft, 
op de plek waar het begint en nooit verdwijnt, 
op de plek waar je geboren wordt en sterft
met elke hartslag, elke zucht. 
Op de plek waar weten woorden mist.

Deinend in de golven, kijkend naar de zon die wolken wijken doet. 
Mogen wij geloven in de stralen die nieuwe ruimtes maken, 
Nooit vergeten dat na elke afslag een nieuw uitzicht wordt geboren, 
Het verleden had dat nooit kunnen voorspellen.
Enkel lopend stap voor stap, met ogen open, 
groeien vormen uit het raadsel van je ziel, 
tot je weet en kent wat je al wist, 
nu pas volledig, nu je leven mag.

Gracias Peru

Een wens ooit gevoeld, zwevend als een vlinder boven vochtig lentegras.
Nu als schrammen op mijn been, streling op mijn huid en spieren in mijn lijf.
Weten in gedachten is anders dan weten in lichaam, hart en ziel.
Peru, alsof mijn hart al daar was al die tijd.
Je stal mijn hart niet, je gaf het mij terug. 
En vele nieuwe harten kloppen in het mijne,
Samen klinkend als een nieuwe symfonie. 
Nu dans ik in het ritme van alle harten samen.
Peru, elke nacht jouw golven in mijn dromen, 
Peru, elke dag jouw bergen in mijn ogen.
De diepte van jouw aarde in mijn maag,
De ruimte van jouw luchten in mijn borst. 
Herinnering geschreven in duizend beelden en muziek,
De geur van dode zeeleeuw en gebakken suikerdeeg. 
De smaak van ayahuasca en gemarineerde vis met ui. 
Een bitterzoete liefde en nieuwe dromen te vervullen.

Wat zijn wij zonder dromen, en zonder ze te leven?
Hoe bewegen wij als wij niet durven vallen om opnieuw te leren lopen?

Peru, jij zoete aarde, sterke geest, 
De brug is gebouwd, over bruin water en over de zoute zee, 
Over zilveren wolken en ijle lucht, 
Tussen ons vlak land en jouw scherpe bergcontouren.
Als het weer tijd is zal ik lopen over deze brug naar jou, 
Mijlen verderop en dichterbij dan je ooit was.

De dood

Er komt een man van boven de 80 in de sauna zitten.
‘Ik ga vanavond in plaats van morgen, want er is iets heel verdrietigs gebeurt. Mijn dochter gaat morgen naar een hospice’
Ik kijk hem aan. 
‘Wow, is ze zo ziek?’ 
‘Ja. Het is verschrikkelijk. 4 maanden geleden ontdekten ze iets bij haar rib. Ik dacht eerst nog: dat loopt wel los. Maar nu… nu ik er zo over praat moet ik er bijna van huilen’ 
Al mijn compassie gaat aan. Ik luister met volle aandacht. 
In zijn verhaal zit zo’n diepe liefde voor zijn dochter verscholen.
‘Als ik kon kiezen mocht ze mijn leven hebben. Ik ben toch al 86. En tuurlijk, als de dood dichterbij komt is iedereen bang. Dat wel.’
Soms zwijgt hij en dan praat hij verder. Ik kan toch niet veel zeggen, want hij is nagenoeg doof, merk ik al snel.
Ik sta op om er uit te gaan. Daar zit ie, zo kwetsbaar en broos. Niets kunnen dan je overgeven.
‘Wie weet is er wel een ander leven hierna…’ zeg ik wat voorzichtig, maar hard genoeg dat hij het hoort.
‘Ja, katholieken geloven dat. En moslims ook. En in sommige landen vieren ze een groot feest als iemand dood is.’ 
We gaan beide glimmen en hij zegt: ‘misschien zou ik dat ook moeten doen’
‘Ik geloof niet in een ander leven. Wel geloof ik dat de moleculen altijd blijven. Dat ze de grond in gaan en weer iets anders worden.’
Zijn ogen gaan weer glimmen en hij kijkt me even aan, terwijl ik daar sta met mijn handdoekje voor.
‘Misschien wordt ze wel een radijsje. Of een meloen’ zegt hij.
We lachen. Ik pak zijn hand.
‘Dag, tot de volgende keer’
‘Ja. Tot kijk hè.’ Hij knijpt nog even, en in die grip voel ik zijn laatste grip nog aan het leven.

Ode aan de zee

Ik sta stil en stop.
Kijk opzij.
De zon is zilvergoud,
weerspiegeld op de gladde golven.
Geen tijd om recht te draaien
of om kou te voelen.
Verstild versmolten
in het wegblijven van tijd.
Geen getik maar enkel
Golfgeraas.
Broek opgerold, mijn huid verguld.
Mijn geest vervuld van beelden
die mijn bedding lichter maken.
Onvoorwaardelijk verbonden.
Schuimwitte toppen draaien om,
golven slokken zichzelf op, 
Verdronken lucht verdwijnt.
Ik zie de meeuwen met hun hoge poten 
Statig stilstaan net als ik. 
Het water neemt me in
Spoelt mijn hoofd
en hart
En longen.
Geen ruimte voor gefluister
in dit waterwindgezang.
Geen ruimte voor kleinheid, 
nederig als deel van het Heel-al.
Weids en ongeschonden
als de wolken en het zilverschuim.
Jou omschrijven is net als
Iets willen zeggen over Groot mysterie.
Geen éen begrip toereikend.
Toch aanwezig
In de ruimte tussen ieder woord.

Waarheid

Waarheid ontspant.
Gedragen door woorden
voor wie het kan horen.
Nog schoner dan water,
nog lichter dan lucht.

Waarheid, ontspan me,
zing tot mij, 
mijn oren heb ik geopend
al ben ik bang.
Ik weet dat jouw hand mij enkel
juiste wegen wijst.

Schijn heldere stralen
en ik aanschouw wat ik verstopte al die jaren.

Waarom vecht ik nog, 
sputter ik,
waarom verzet ik mij.
Waarom mij niet laten dragen.
Blind loop ik tot jij het licht ontsteekt.
Zo helder, onmiskenbaar,
toch onberekenbaar.

Waarheid, jij naakte,
jij hoeft je niet te kleden.
Juist kleed jij uit, onthul je.
Met stormen die op blaren blazen.

Ik hoor jou steeds vaker 
en steeds liever.
Zie ogen stralen,
wangen blozen.
Stiltes hoor ik vallen
als jij harten kietelt.

Ik sputter wel en vecht wel
tot ik opgeef,
jij weer door de zon heen komt,
door de woorden heen spreekt, 
als een moeder met haar kleine
die aan zijn kreetjes hoort hoe zij kan dienen.

Ik ren wel tot je zingt en kietelt
en vergeef me, waarheid.
Spreek tot me.
Zeg me dat ik jou ben 
en jij mij was
en niets anders.

Comme l’amour

Twee paar glimmende ogen, 
een herkenning tussen honderd mensen.
Dezelfde diepte, verschillende vragen.
Twee anderen dansen wat onhandig,
maar het geeft niet,
want hij danst voor haar.
Zij baadt in het zonlicht van zijn 
aandacht.

Even draait het om wijn en eten, 
om La Viande et Le Rouge,
Om een cirkel om het vuur, 
allen verbonden door hetzelfde doel 
waar vlammen antwoord op gegeven hebben al die jaren: 
licht en warmte.

Frankrijk, weet je nog dat ik hier ooit weer Vrouw werd,
hier opnieuw de rust vond om te lezen. 
Dat mijn hart wegsmolt in een droom tussen prikkend hooi op een zomermiddag. 
Wat wist ik toen nog weinig, of misschien wel meer dan nu?

Wanneer ik later groot ben, 
groter dan ikzelf,
wanneer ik weer verliefd word,
kom ik misschien wel wonen bij je.
Voor nu legt het suizen van de wind tussen dennennaalden
mijn geest weer stil 
en kruipen tekenlarven via mijn tenen naar waar ze niet kruipen mogen,
comme l’Amour.

Kolibrie ~Beija Flor~

Kolibrie, neem voorzichtig met je snavel,
het vlies weg van mijn ogen.
Om te zien voorbij de bloemen die jij liefhebt,
voorbij de mensen hier die dwalen.
Kolibrie, laat mij nectar drinken uit je keel 
en laat mij zingen opdat men thuiskomt.

Als het vlies verdwijnt voor mijn ogen
is waarheid helder als christal,
een versgeslepen zwaard.
Het snijden doet pijn maar verwondt niet.
Iets sterft.

En dan drinken we,
om te vergeten.
We slikken pillen,
om te vergeten.
We rennen hard en werken,
als bijen,
om te vergeten.

Trilling reist mijn huid over,
tranen vallen op mijn borst,
tot in mijn hart,
van heimwee, 

zoete heimwee.

We roepen goden in alle namen.
We bidden, vallen stil.
De oneindige draaikolk 
waar we in verdrinken
stopt.

We branden kaarsen, 

om te Weten.

We zijn de kaars. 
We zijn waar onze reis begon.

Als ik er dan toch ben, leven,
laat ik dan de kaars zijn,
de vonkelende vlam
waar mensen bidden,
mensen schuilen,
mensen huilen.
Laat ik de stilte zijn 
in niemandsland,
waar wij het spoor zo bijster zijn.

Laat mij dan dansen 
in kleurrijke gewaden,
tollen als een Derwisj,
die nooit het centrum kwijtraakt,
omdat hij het centrum is,
en hij zich dat herinnert
door te dansen.

Laat mij dan zijn,
waar ik vandaan kom.
Daar waar ik thuiskom
en anderen met mij.

In de stilte (Vipassana 2015)

Sterren, schijn maar in mijn hart, nu is de deur geopend.

Gisteren, maakte ik een zandkasteel, wel uren lang. 
De golven hebben het weg gespoeld.

Sterren, val maar in mijn hart, schijn je licht naar binnen. Ik heb een deur gescheurd met eigen handen.

Ik liep de trap naar boven, blote voeten op het marmer, 
mijn handpalm zacht langs koude pilaren, 
mijn vingertoppen over krullende versieringen. 
Een blinde zou nog meer schoonheid hebben gezien.

Sterren, schijn naar binnen, 
op de rotsen en diamanten, 
ik heb de deur geopend met bebloede handen.

En toen ik boven was, sloot ik mijn ogen, 
droomde dat ik stierf. 
Mijn hoofd in duizend stukken.

Sterren, schijn maar in mijn hart. Zie: de rotsen smelten en ook 
de diamanten.

Weer naar beneden. De marmeren trappen, koud. 
Alles was anders
en toch hetzelfde.

Sterren, schijn maar in mijn hart, want ik weet al.

En toen ik thuis was, mijn voorhoofd op het raam gedrukt, 
mijn adem door neus en lippen op het glas. 
Ik schreef, mijn vingers trilden:

Liefde.

En dacht nog: als de condens verdwijnt, 
verdwijnt dan ook de liefde?

Als alles verdwijnt, verdwijnt dan ook de liefde?

Sterren, schijn maar in mijn hart, 
Smelt de rotsen en diamanten. 
Dan weet ik, dan weet ik! 
Dan is er alleen nog maar
wat er altijd al was. 
Er is alleen nog maar
wat er altijd al was.