Blog – v1

Later als ik dood ben – 29-12-2019

Het tijdelijke overspoelt mij.
Deze middag, in de leegte.
Als ik zie hoe het laatste blaadje van de boom
Geruisloos kringen tovert op het grote meer.
En in een huis waar kort geleden
een mens herinneringen werd.
Verhalen, foto's in kleur en in zwart-wit
Die vertellen hoe ik hem gezien heb.
En alles dat hij was,
blijft verscholen achter beeld en woord.
Ooit zullen ook mijn lijf en leven tot verhalen zijn vervormd.
Een kracht, herinnering in iemands hart,
Of in de wind die fluistert in het oor van wie nog leeft.
Er is eindeloos veel leven in de dood.
Er is eeuwig licht verscholen in het sluiten van mijn ogen.
Wakkerheid die mij nog nooit verlaten heeft
En nooit verlaten zal.
Er is eindeloos veel leven in hartstochtelijk verbinden .
Verdwijnen in het mens zijn, in het vlees van moeder aarde.
In donkere wortels
En stinkende modder.
Er is eindeloos veel leven
In het vergeten dat ik eeuwig ben
Op de momenten dat ik rouw en huil en
schreeuw en
Dans
En vrij
en lach.
Vertel mij waarom wij geboren worden keer op keer,
En opnieuw dienen te kiezen om te zijn of om te lijden.
Vertel mij waarom ik steeds weer leer te lopen
En waarom ik het niet voor het zeggen heb,
Tot ik voel wat ik ben,
En kies om dat te zijn.
Grenzeloos als ruimte boven bomen, boven wolken.
Voorbij de foto’s en de lege ruimtes
Voorbij het blaadje op het water
En de kringen op het meer.
Later, als ik dood ben,
Wil ik zingen uit de mond van een verlegen kind.
Adem geven aan verbleekte mensen.
Later, als ik dood ben, wil ik grapjes maken vanuit de kale boom.
Drollen laten vallen uit de lucht.
Doffe ogen laten stralen,
dansen in rode lange haren.
Later, als ik dood ben,
Wil ik ruimer zijn dan ooit,
Wil ik ieder raken met de grootste liefde die bestaat.
Fluister ik gedichten in je oor
Om de weg te wijzen naar je hart.
Later, als ik dood ben,
Wil ik laten zien wat leven is.
Ik leef, ik leef,
Vandaag. Alsof ik dood ben
En sterf in mijn leven en daarna,
keer op keer
telkens weer,
om te laten zien wat leven is,
Om mijzelf te laten zien wat leven is.

Vrijheid 30-7-2019

@page { size: 21cm 29.7cm; margin: 2cm } p { margin-bottom: 0.25cm; line-height: 115%; background: transparent }
Er valt iets op het water.
Midden in de stilte
vormen zich de kringen
uit het centrum van het niets en van het al.
Mijn keel wil smelten,
zoute tranen willen mengen met het zoete water.
De aarde wil ik voelen in mijn buik.
De wind fluistert in mijn oor
dat vrijheid niet is waar ik haar zoek.
Zo zacht zijn woorden, zijn lippen bijna op mijn huid.
De zon doorboort mijn voorhoofd en mijn hart
met stralen dansend als een phoenix uit het vuur.
Veranderende vormen in het leven, veranderende tijd.
Ik geef niet meer liefde zoals vroeger: als een moeder, als een draagvlak.
Nu geef ik liefde door kracht en vreugde te laten wonen in mijn lijf,
van moment tot moment, van ademteug tot ademteug.
De liefdesvonk kan niet altijd meer, van persoon tot persoon,
wel voor wie er is of voor langer is bestemd.
En zij kan leven als ik loop op het pad van mijn ziel
dat zich opent in het maneschijn
en in de stralen van de ochtendzon, die het duister heeft doorklieft
tot deze nieuwe dag begon.
Het zoete smelten van de vormen hoe ze waren,
het zachte afscheid van wat vroeger "veilig" heette.
Zo leer ik in stapjes, met tere babyvoetzool,
die alleen maar sterk wordt door te lopen.
En na het vallen sta ik op,
steeds wat rechter, steeds wat echter.
Laat mij zien dat dit de weg is om te groeien
nu ik mijn eigen moeder aarde ben
en mijn eigen vader zon.
Veiligheid is niet meer in wat ik ken,
Vertrouwen is niet meer hopen dat het gaat hoe ik het wil.
En als ik dat nog denk heb ik zo lief, zó lief.
Veiligheid, nu ben jij,
de kern van waarheid die er is in elk moment
En het verblijven in ervaren wat daar is.
Vrijheid, nu ben jij,
wortels schieten waar ik ben,
het horen van de echte stem,
mijn vleugels uitslaan
en hem volgen.

Thuis – 24-06-2019

Uit het licht geboren, 
Niet voor het eerst, noch voor het laatst. 
Lichtflits, 
onwennig gewenteld in een vlezig lijf. 
Tegengesputter en vluchtgedrag, 
op een aarde waar, net als in mij,
ook pijn bestaat,
waar alles trager gaat, 
en ontkenning traagheid vasthoudt.

Heimwee
Naar huis. 
Maar warme handen en lichte ogen
wezen mij de weg, 
naar mijn plek, op groen zacht gras.

Gewoon hier, met licht en donker, storm en stilte. 
Heimwee naar huis werd 
thuis hier laten voorbestaan.

Thuis in de stilte die we deelden voor zonsopgang, 
thuis in zwemmen in het mooie meer
en in golven springen als dolfijnen. 
Thuis in fouten maken en vergeven worden. 
Thuis in een gids zijn naar huis, 
en een leerling tegelijkertijd.

En ondertussen, mens te zijn
Misschien wel het onbekendst. 
Gewone stappen, gewone daden. 
Leren leven, dromen waar te maken.

Zonder te vergeten wat ik ik niet omschrijven kan
Hetgeen dat in elke vorm hetzelfde blijft.

Zonder te vergeten dat ik niets weet en 
toch, 
alles. 
Precies wetend wat ik weten moet
in ieder nieuw moment.

Lief Hart – 24-03-2019

Jij, grote, jij sterke.
Leeuw met zachte manen,
Ontblootte parelwitte tanden.
Jij, kleine. De vuurvlieg in het Franse gras.
Ja, jij, je wordt de vogel met de witte buik
Als ik er naar kijk,
Vliegend in de celeste hemel zonder wind.

Op mijn tong heb je nooit gelegen,
mijn mooie, lieve hart;
op mijn kleinste teen vooral.
Maar als een stuwdam die zich vult 
stroom ik met jouw liefde vol,
Tot ik niet anders kan dan tonen wat ik voel,
Als een naakte feeks op dun glad ijs.

Imperfect als de zwarte vlek op het papier,
Mij duwend door de schaamte heen,
Verder weg van wat zo hoort
Verder weg van wat ik weet.

Lief hart, teder is mijn omhulling 
met mijn handen om jouw heen.
Je bracht me zo veel schatten,
Zo veel tranen. Zo veel stenen liet jij smelten. 
Je bracht mij door de waterval naar de overkant,
Door de oceaan naar eilanden van stilte.
Je bracht mij naar gesloten harten,
Pompte bloed waar het niet stromen mocht, 
Liet menig ander hart daarna weer open achter.

Elke keer verzon je liefdes die te ver zijn
of te hard voor mij, 
En stond ik rouwend open als de zwarte grot,
Met spelonken, stalagmieten, dikke druppels in het diepe meer. 
Hete lava uit de bodem van de aarde
Vanuit de plek die ik ontkende 
En bedekte met een lach.

Ik kreeg niet wat ik wilde maar nog meer dan ik bedacht.
Vrienden voor het leven en een ruggengraat van goud. 
Wortels tot de grote Moeders’ kern.
Een wijder pad met bergkristal en sterren.

Ik houd je zachtjes vast en dank je
Met mijn zegen en mijn adem.
Dank de bedding die mij opvangt 
als het leven mij verwart, 
Dank de zoetheid die zich toont 
Als ik het zelf niet meer geregeld heb.
Dank de zon die gouden stralen straalt 
En de regen die rivieren maakt.

Ik zie de liefde die jouw je slag laat slaan,
De lichtstraal, zichtbaar in de kieren van een harde rots.

Ik wil je vragen soms, of het wat zachter mag, 
Of dichterbij, 
Of eindelijk het juiste puzzelstuk,

Maar wetend dat jij weet waar jij mij hebben wilt, 
Zwijg ik, luister in vertrouwen,
Reizend met jou mee, 
Door berg en dal, 
Door oceaan en waterval.

Herinnering – 31-12-2018

De zon laat stukjes goud verschijnen op het zoute winterwater.
Stralen die de lucht doorboren;
de wolkenmassa wijkt, zoals oud wijkt voor het nieuwe.
Een wandelende man in zwart gekleed, 
de stilte zichtbaar rondom zijn contour.
Alleen in eenheid en niet eenzaam. 
Als landwolken, rollen bollen schuim het strand op,
voortgeduwd door lichte wind. 
Een ballon met sterren die gisteren nog hoorde bij een feest,
ligt verdwaald aan de rand.
Het rubber als een dunne oma huid, 
dat de laatste lucht omhult
tot zij weer deelneemt aan het grotere geheel.

Stiller dan stil is de ruimte in mijn hoofd. 
Stiller dan stil is de duinrand, 
door ochtendlicht versierd. 
De golven glimmen als mijn ogen, 
rollen om. 
Het beeld print zich in mijn mijn netvlies,
net zo welkom als zoete honing
of een warme streling op mijn huid.

Het koude water raakt mijn benen
en steeds verder. 
Langzaam lopend zonder wantrouw of gevecht, 
de watermassa binnen. 
Ik dank en denk aan namen die bij mij waren dit jaar. 
Stuk voor stuk, mens voor mens, 
Hart voor hart, ziel voor ziel. 
Elke naam een echo in mijn lijf, 
elke ziel weer anders afgedrukt in mij. 
In dit lichaam dat ik liever heb dan ooit, 
wetend nu waar ik vandaan kom en waar ik naartoe kan, keer op keer. 
Ingebed en veilig in de grote aarde, in de zuster zee, 
in de wind, in de sterren in de lucht.

De talen van mijn ziel hebben nooit logica gekend, 
ontspruiten als kiemen uit de grond, 
als vlammen uit het vuur. 
Moge ik samen zijn met zielen die mijn taal verstaan, 
moge ik paden lopen die mij nieuwe beelden geven. 
Moge ik woorden spreken, die weerklinken in een ander 
op de plek waar leven leeft, 
op de plek waar het begint en nooit verdwijnt, 
op de plek waar je geboren wordt en sterft
met elke hartslag, elke zucht. 
Op de plek waar weten woorden mist.

Deinend in de golven, kijkend naar de zon die wolken wijken doet. 
Mogen wij geloven in de stralen die nieuwe ruimtes maken, 
Nooit vergeten dat na elke afslag een nieuw uitzicht wordt geboren, 
Het verleden had dat nooit kunnen voorspellen.
Enkel lopend stap voor stap, met ogen open, 
groeien vormen uit het raadsel van je ziel, 
tot je weet en kent wat je al wist, 
nu pas volledig, nu je leven mag.

Gracias Peru – 1-12-2018

Een wens ooit gevoeld, zwevend als een vlinder boven vochtig lentegras.
Nu als schrammen op mijn been, streling op mijn huid en spieren in mijn lijf.
Weten in gedachten is anders dan weten in lichaam, hart en ziel.
Peru, alsof mijn hart al daar was al die tijd.
Je stal mijn hart niet, je gaf het mij terug. 
En vele nieuwe harten kloppen in het mijne,
Samen klinkend als een nieuwe symfonie. 
Nu dans ik in het ritme van alle harten samen.
Peru, elke nacht jouw golven in mijn dromen, 
Peru, elke dag jouw bergen in mijn ogen.
De diepte van jouw aarde in mijn maag,
De ruimte van jouw luchten in mijn borst. 
Herinnering geschreven in duizend beelden en muziek,
De geur van dode zeeleeuw en gebakken suikerdeeg. 
De smaak van ayahuasca en gemarineerde vis met ui. 
Een bitterzoete liefde en nieuwe dromen te vervullen.

Wat zijn wij zonder dromen, en zonder ze te leven?
Hoe bewegen wij als wij niet durven vallen om opnieuw te leren lopen?

Peru, jij zoete aarde, sterke geest, 
De brug is gebouwd, over bruin water en over de zoute zee, 
Over zilveren wolken en ijle lucht, 
Tussen ons vlak land en jouw scherpe bergcontouren.
Als het weer tijd is zal ik lopen over deze brug naar jou, 
Mijlen verderop en dichterbij dan je ooit was.

De dood – 23-08-2018

Er komt een man van boven de 80 in de sauna zitten.
‘Ik ga vanavond in plaats van morgen, want er is iets heel verdrietigs gebeurt. Mijn dochter gaat morgen naar een hospice’
Ik kijk hem aan. 
‘Wow, is ze zo ziek?’ 
‘Ja. Het is verschrikkelijk. 4 maanden geleden ontdekten ze iets bij haar rib. Ik dacht eerst nog: dat loopt wel los. Maar nu… nu ik er zo over praat moet ik er bijna van huilen’ 
Al mijn compassie gaat aan. Ik luister met volle aandacht. 
In zijn verhaal zit zo’n diepe liefde voor zijn dochter verscholen.
‘Als ik kon kiezen mocht ze mijn leven hebben. Ik ben toch al 86. En tuurlijk, als de dood dichterbij komt is iedereen bang. Dat wel.’
Soms zwijgt hij en dan praat hij verder. Ik kan toch niet veel zeggen, want hij is nagenoeg doof, merk ik al snel.
Ik sta op om er uit te gaan. Daar zit ie, zo kwetsbaar en broos. Niets kunnen dan je overgeven.
‘Wie weet is er wel een ander leven hierna…’ zeg ik wat voorzichtig, maar hard genoeg dat hij het hoort.
‘Ja, katholieken geloven dat. En moslims ook. En in sommige landen vieren ze een groot feest als iemand dood is.’ 
We gaan beide glimmen en hij zegt: ‘misschien zou ik dat ook moeten doen’
‘Ik geloof niet in een ander leven. Wel geloof ik dat de moleculen altijd blijven. Dat ze de grond in gaan en weer iets anders worden.’
Zijn ogen gaan weer glimmen en hij kijkt me even aan, terwijl ik daar sta met mijn handdoekje voor.
‘Misschien wordt ze wel een radijsje. Of een meloen’ zegt hij.
We lachen. Ik pak zijn hand.
‘Dag, tot de volgende keer’
‘Ja. Tot kijk hè.’ Hij knijpt nog even, en in die grip voel ik zijn laatste grip nog aan het leven.

Ode aan de zee – 16-08-2018

Ik sta stil en stop.
Kijk opzij.
De zon is zilvergoud,
weerspiegeld op de gladde golven.
Geen tijd om recht te draaien
of om kou te voelen.
Verstild versmolten
in het wegblijven van tijd.
Geen getik maar enkel
Golfgeraas.
Broek opgerold, mijn huid verguld.
Mijn geest vervuld van beelden
die mijn bedding lichter maken.
Onvoorwaardelijk verbonden.
Schuimwitte toppen draaien om,
golven slokken zichzelf op, 
Verdronken lucht verdwijnt.
Ik zie de meeuwen met hun hoge poten 
Statig stilstaan net als ik. 
Het water neemt me in
Spoelt mijn hoofd
en hart
En longen.
Geen ruimte voor gefluister
in dit waterwindgezang.
Geen ruimte voor kleinheid, 
nederig als deel van het Heel-al.
Weids en ongeschonden
als de wolken en het zilverschuim.
Jou omschrijven is net als
Iets willen zeggen over Groot mysterie.
Geen éen begrip toereikend.
Toch aanwezig
In de ruimte tussen ieder woord.

Kolibrie ~Beija Flor~ 20-07-2017

Kolibrie, neem voorzichtig met je snavel,
het vlies weg van mijn ogen.
Om te zien voorbij de bloemen die jij liefhebt,
voorbij de mensen hier die dwalen.
Kolibrie, laat mij nectar drinken uit je keel 
en laat mij zingen opdat men thuiskomt.

Als het vlies verdwijnt voor mijn ogen
is waarheid helder als christal,
een versgeslepen zwaard.
Het snijden doet pijn maar verwondt niet.
Iets sterft.

En dan drinken we,
om te vergeten.
We slikken pillen,
om te vergeten.
We rennen hard en werken,
als bijen,
om te vergeten.

Trilling reist mijn huid over,
tranen vallen op mijn borst,
tot in mijn hart,
van heimwee, 

zoete heimwee.

We roepen goden in alle namen.
We bidden, vallen stil.
De oneindige draaikolk 
waar we in verdrinken
stopt.

We branden kaarsen, 

om te Weten.

We zijn de kaars. 
We zijn waar onze reis begon.

Als ik er dan toch ben, leven,
laat ik dan de kaars zijn,
de vonkelende vlam
waar mensen bidden,
mensen schuilen,
mensen huilen.
Laat ik de stilte zijn 
in niemandsland,
waar wij het spoor zo bijster zijn.

Laat mij dan dansen 
in kleurrijke gewaden,
tollen als een Derwisj,
die nooit het centrum kwijtraakt,
omdat hij het centrum is,
en hij zich dat herinnert
door te dansen.

Laat mij dan zijn,
waar ik vandaan kom.
Daar waar ik thuiskom
en anderen met mij.

Comme l’amour – 10-08-2017

Twee paar glimmende ogen, 
een herkenning tussen honderd mensen.
Dezelfde diepte, verschillende vragen.
Twee anderen dansen wat onhandig,
maar het geeft niet,
want hij danst voor haar.
Zij baadt in het zonlicht van zijn 
aandacht.

Even draait het om wijn en eten, 
om La Viande et Le Rouge,
Om een cirkel om het vuur, 
allen verbonden door hetzelfde doel 
waar vlammen antwoord op gegeven hebben al die jaren: 
licht en warmte.

Frankrijk, weet je nog dat ik hier ooit weer Vrouw werd,
hier opnieuw de rust vond om te lezen. 
Dat mijn hart wegsmolt in een droom tussen prikkend hooi op een zomermiddag. 
Wat wist ik toen nog weinig, of misschien wel meer dan nu?

Wanneer ik later groot ben, 
groter dan ikzelf,
wanneer ik weer verliefd word,
kom ik misschien wel wonen bij je.
Voor nu legt het suizen van de wind tussen dennennaalden
mijn geest weer stil 
en kruipen tekenlarven via mijn tenen naar waar ze niet kruipen mogen,
comme l’Amour.

Waarheid – 24-09-2017

Waarheid ontspant.
Gedragen door woorden
voor wie het kan horen.
Nog schoner dan water,
nog lichter dan lucht.

Waarheid, ontspan me,
zing tot mij, 
mijn oren heb ik geopend
al ben ik bang.
Ik weet dat jouw hand mij enkel
juiste wegen wijst.

Schijn heldere stralen
en ik aanschouw wat ik verstopte al die jaren.

Waarom vecht ik nog, 
sputter ik,
waarom verzet ik mij.
Waarom mij niet laten dragen.
Blind loop ik tot jij het licht ontsteekt.
Zo helder, onmiskenbaar,
toch onberekenbaar.

Waarheid, jij naakte,
jij hoeft je niet te kleden.
Juist kleed jij uit, onthul je.
Met stormen die op blaren blazen.

Ik hoor jou steeds vaker 
en steeds liever.
Zie ogen stralen,
wangen blozen.
Stiltes hoor ik vallen
als jij harten kietelt.

Ik sputter wel en vecht wel
tot ik opgeef,
jij weer door de zon heen komt,
door de woorden heen spreekt, 
als een moeder met haar kleine
die aan zijn kreetjes hoort hoe zij kan dienen.

Ik ren wel tot je zingt en kietelt
en vergeef me, waarheid.
Spreek tot me.
Zeg me dat ik jou ben 
en jij mij was
en niets anders.

In de stilte (Vipassana 2015)

Sterren, schijn maar in mijn hart, nu is de deur geopend.

Gisteren, maakte ik een zandkasteel, wel uren lang. 
De golven hebben het weg gespoeld.

Sterren, val maar in mijn hart, schijn je licht naar binnen. Ik heb een deur gescheurd met eigen handen.

Ik liep de trap naar boven, blote voeten op het marmer, 
mijn handpalm zacht langs koude pilaren, 
mijn vingertoppen over krullende versieringen. 
Een blinde zou nog meer schoonheid hebben gezien.

Sterren, schijn naar binnen, 
op de rotsen en diamanten, 
ik heb de deur geopend met bebloede handen.

En toen ik boven was, sloot ik mijn ogen, 
droomde dat ik stierf. 
Mijn hoofd in duizend stukken.

Sterren, schijn maar in mijn hart. Zie: de rotsen smelten en ook 
de diamanten.

Weer naar beneden. De marmeren trappen, koud. 
Alles was anders
en toch hetzelfde.

Sterren, schijn maar in mijn hart, want ik weet al.

En toen ik thuis was, mijn voorhoofd op het raam gedrukt, 
mijn adem door neus en lippen op het glas. 
Ik schreef, mijn vingers trilden:

Liefde.

En dacht nog: als de condens verdwijnt, 
verdwijnt dan ook de liefde?

Als alles verdwijnt, verdwijnt dan ook de liefde?

Sterren, schijn maar in mijn hart, 
Smelt de rotsen en diamanten. 
Dan weet ik, dan weet ik! 
Dan is er alleen nog maar
wat er altijd al was. 
Er is alleen nog maar
wat er altijd al was.