In de stilte (Vipassana 2015)

Sterren, schijn maar in mijn hart, nu is de deur geopend.

Gisteren, maakte ik een zandkasteel, wel uren lang. 
De golven hebben het weg gespoeld.

Sterren, val maar in mijn hart, schijn je licht naar binnen. Ik heb een deur gescheurd met eigen handen.

Ik liep de trap naar boven, blote voeten op het marmer, 
mijn handpalm zacht langs koude pilaren, 
mijn vingertoppen over krullende versieringen. 
Een blinde zou nog meer schoonheid hebben gezien.

Sterren, schijn naar binnen, 
op de rotsen en diamanten, 
ik heb de deur geopend met bebloede handen.

En toen ik boven was, sloot ik mijn ogen, 
droomde dat ik stierf. 
Mijn hoofd in duizend stukken.

Sterren, schijn maar in mijn hart. Zie: de rotsen smelten en ook 
de diamanten.

Weer naar beneden. De marmeren trappen, koud. 
Alles was anders
en toch hetzelfde.

Sterren, schijn maar in mijn hart, want ik weet al.

En toen ik thuis was, mijn voorhoofd op het raam gedrukt, 
mijn adem door neus en lippen op het glas. 
Ik schreef, mijn vingers trilden:

Liefde.

En dacht nog: als de condens verdwijnt, 
verdwijnt dan ook de liefde?

Als alles verdwijnt, verdwijnt dan ook de liefde?

Sterren, schijn maar in mijn hart, 
Smelt de rotsen en diamanten. 
Dan weet ik, dan weet ik! 
Dan is er alleen nog maar
wat er altijd al was. 
Er is alleen nog maar
wat er altijd al was.