Kolibrie ~Beija Flor~

Kolibrie, neem voorzichtig met je snavel,
het vlies weg van mijn ogen.
Om te zien voorbij de bloemen die jij liefhebt,
voorbij de mensen hier die dwalen.
Kolibrie, laat mij nectar drinken uit je keel 
en laat mij zingen opdat men thuiskomt.

Als het vlies verdwijnt voor mijn ogen
is waarheid helder als christal,
een versgeslepen zwaard.
Het snijden doet pijn maar verwondt niet.
Iets sterft.

En dan drinken we,
om te vergeten.
We slikken pillen,
om te vergeten.
We rennen hard en werken,
als bijen,
om te vergeten.

Trilling reist mijn huid over,
tranen vallen op mijn borst,
tot in mijn hart,
van heimwee, 

zoete heimwee.

We roepen goden in alle namen.
We bidden, vallen stil.
De oneindige draaikolk 
waar we in verdrinken
stopt.

We branden kaarsen, 

om te Weten.

We zijn de kaars. 
We zijn waar onze reis begon.

Als ik er dan toch ben, leven,
laat ik dan de kaars zijn,
de vonkelende vlam
waar mensen bidden,
mensen schuilen,
mensen huilen.
Laat ik de stilte zijn 
in niemandsland,
waar wij het spoor zo bijster zijn.

Laat mij dan dansen 
in kleurrijke gewaden,
tollen als een Derwisj,
die nooit het centrum kwijtraakt,
omdat hij het centrum is,
en hij zich dat herinnert
door te dansen.

Laat mij dan zijn,
waar ik vandaan kom.
Daar waar ik thuiskom
en anderen met mij.