Ode aan de zee

Ik sta stil en stop.
Kijk opzij.
De zon is zilvergoud,
weerspiegeld op de gladde golven.
Geen tijd om recht te draaien
of om kou te voelen.
Verstild versmolten
in het wegblijven van tijd.
Geen getik maar enkel
Golfgeraas.
Broek opgerold, mijn huid verguld.
Mijn geest vervuld van beelden
die mijn bedding lichter maken.
Onvoorwaardelijk verbonden.
Schuimwitte toppen draaien om,
golven slokken zichzelf op, 
Verdronken lucht verdwijnt.
Ik zie de meeuwen met hun hoge poten 
Statig stilstaan net als ik. 
Het water neemt me in
Spoelt mijn hoofd
en hart
En longen.
Geen ruimte voor gefluister
in dit waterwindgezang.
Geen ruimte voor kleinheid, 
nederig als deel van het Heel-al.
Weids en ongeschonden
als de wolken en het zilverschuim.
Jou omschrijven is net als
Iets willen zeggen over Groot mysterie.
Geen éen begrip toereikend.
Toch aanwezig
In de ruimte tussen ieder woord.